Over veto-recht en onafhankelijkheid

Het Ministerie van Veiligheid en Justitie heeft de Kamer en het land voorgelogen over het bestaan c.q. de inhoud van een zogeheten “non-disclosure agreement” tussen leden van het Joint Investigation Team, waarbij het vooral gaat om het zogenaamde veto-recht over de publicatie van onderzoeksgegevens van aan het onderzoek deelnemende landen. Een en ander kwam definitief uit toen de Australiërs het bestaan van deze overeenkomst erkenden, maar het amateuristische liegen vanuit het Ministerie verdient evengoed de aandacht. Op 22 december 2014 ging dat ongeveer zo:

Consensus onder de partners over publicaties is uiteraard exact hetzelfde als een vetorecht over publicaties. Een dergelijke, feitelijk correcte uitleg van deze begrippen is natuurlijk niet nieuw of onbekend. Zie bijvoorbeeld deze passage uit de Goedkeuring van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa:

Het Ministerie van Justitie en Veiligheid vertolkte de grote Nederlandse rol in zowel het technische als het strafrechtelijke onderzoek als volgt:

“”Nederland heeft veruit de meeste slachtoffers te betreuren. Om die reden nam en kreeg Nederland het voortouw bij de coördinatie van de strafrechtelijke samenwerking tussen de getroffen landen. Dit houdt in dat het OM de dagelijkse leiding heeft over het gemeenschappelijke, internationale opsporingsteam (het JIT). Gezien de uitstekende staat van dienst, de bewezen onafhankelijkheid en de grote mate van expertise aanwezig bij zowel het OM als de OVV, is Nederland in staat de verantwoordelijkheid te dragen voor beide onderzoeken.”

De rol van het OVV geloof ik wel. Maar is het OM (dat het JIT leidt) bewezen onafhankelijk? Die staatsrechtelijke discussie is ouder dan ik zelf ben.

Nu wil ik niet beargumenteren dat het onderzoek naar de MH17 verschrikking gecorrumpeerd is. Daar zou veel meer informatie voor nodig zijn dan waarover ik kan beschikken. Maar ik stel wel dat er beweringen zijn gedaan, en een politieke situatie bestaat waarover mijns inziens iets te makkelijk heengestapt is. In het licht van recente onthullingen over politieke invloed op onderzoek dat politiek gevoelig ligt, denk ik dat daarmee niemand een dienst wordt bewezen.

Aantekeningen bij Kamerbrief Ollongren

In Minister Ollongren’s brief aan de Kamer d.d. 13-12-2018 (Brief inzake desinformatie en beïnvloeding verkiezingen) staan een paar interessante passages.

Op de tweede pagina van haar brief lijkt zij een link te leggen tussen maatregelen tegen de verspreiding van desinformatie en vrije en eerlijke verkiezingen. Die definitie van vrije en eerlijke verkiezingen is mij persoonlijk onbekend, maar definities zijn er uiteraard om naar believen op te rekken.

Er wordt daarnaast verwezen naar het Rathenau onderzoek, waarbij de Minister stelt dat de invloed van desinformatie in Nederland betrekkelijk klein is doordat “Nederland een sterk mediabestel heeft, pluriforme nieuwsconsumptie kent en er een hoog vertrouwen is in de media”. Wat de Minister er niet bij zegt, is dat er domweg weinig bekende desinformatie bestemd is voor Nederlands gebruik – zoals in hetzelfde rapport te lezen staat.

Echt interessant wordt het wat mij betreft wanneer de vermaarde counterpropaganda* instantie EUvsDisinfo ten tonele verschijnt. Zoals bekend heeft Nederland, zonder succes, in Europees verband geijverd voor het schrappen van die instantie. De Minister meldt verheugd dat de Nederlandse standpunten die tot die positie hebben geleid centraal komen te staan in het Europese Actieplan voor de bestrijding van desinformatie. Die standpunten zijn o.a. bescherming van de vrijheid van meningsuiting, het nalaten specifieke publicaties als desinformatie aan te merken, en de essentiële rol van private partijen zoals de verschillende platforms zelf en fact-checkers in de bestrijding van desinformatie.

Schijnbaar worden we geacht aan te nemen dat van overheidswege verlangde (indirecte en directe) censuur gepleegd door private partijen een heel ander beestje is dan censuur van overheidswege. Formeel wellicht correct, maar praktisch niet echt. Het blijft een (indirecte) verstoring van het recht op vrije informatiegaring.

Uiteindelijk heeft eerdergenoemde poging EUvsDisinfo geschrapt te krijgen wel opgeleverd dat Nederlandse bronnen niet langer in de desinformatie database van EUvsDisinfo worden opgenomen. Dit feit wordt opgevoerd als “aansluitend op de focus van de StratCom Taskforces”, waar EUvsDisinfo uit voortkomt. Maar ondertussen is wat EUvsDisinfo doet dus nog steeds strijdig met die genoemde focus voor alle denkbare bronnen – behalve die afkomstig uit Nederland. Het lukt mij niet enige waarde te ontdekken in die situatie.

Ik sluit af met een passage waarin de Minister stelt dat, ondanks het feit dat “de impact van desinformatie mede door het sterke medialandschap in Nederland tot nu toe beperkt is” uit monitors en peilingen blijkt dat er behoefte bestaat aan overheidsinitiatieven ter vergroting van de bewustwording van desinformatie. Zo is 71% van de Nederlanders ongerust over de invloed van desinformatie in de periode voorafgaand aan verkiezingen. Dat is een fraai soort cirkelredenering.

Wie zijn immers degenen die, hoewel de cijfers een in Nederland zeer beperkte impact van desinformatie laten zien, bijkans alle dagen de noodklok luiden over (Russische) desinformatie? En dit vaak ook nog eens doen op basis van onzorgvuldige (of geheel afwezige) interpretaties en analyses van documenten (1, 2), bronnen, verklaringen en beschuldigingen?

*Het eenzijdig belichten van desinformatie is ook een vorm van propaganda.

PS. Fouten van professionele journalisten zouden min of meer per definitie niet onder de noemer desinformatie thuishoren, zo destilleren we uit de campagnefolders die onze jeugd moeten helpen beschermen tegen de invloed van desinformatie (o.a. Soms is een bericht betrouwbaar omdat een journalist (journalistieke werkwijze!) van professionele nieuwsmedia het zegt).

Maar wat moeten we het noemen wanneer de fouten vrij consistent dezelfde kant opvallen?


Een hele kleine historie van Samir.

Dit is een herschreven FaceBook post uit 2016.

Nu denk ik de laatste tijd sowieso veel aan “vroeger” (vast niet gezond, maar het zij zo), maar dit laat me sinds het weekend niet los…

Toen die hele zogenaamde “mocro war” op de kaart kwam moest ik al met enige regelmaat denken aan mijn oude school- en klasgenoot Samir. Ik vroeg me al snel af of hij er op de een of andere manier bij betrokken zou zijn. Om de eenvoudige reden dat Samir in onze middelbare schooltijd al een boefje was. Doorgaans genoeg geld op zak, tegen het einde van de middelbare school een jaartje weg van school vanwege “betrokkenheid bij een vechtpartij” (lees: steekpartij) en naar aanleiding daarvan gediagnosticeerd als licht schizofreen. Hij was (als ik me niet vergis) woonachtig in Slotervaart en naar eigen zeggen (toen een van onze docenten ooit vertelde dat het slecht was voor kinderen om op te groeien in een flat) “altijd op straat”. Juf hoefde zich wat dat betreft geen zorgen te maken.

Noem het een gevoeltje.

Hoewel ik bovenstaande info direct uit zijn mond heb (hij was niet vies van een praatje, en zijn verhalen waren onderhoudend genoeg), waren we geen vrienden. Het was op schoolfeesten meestal knokken tussen het groepje gabbers (ondergetekende knalde er in een grijs verleden op los) en hun introducees en Marokkaans-Nederlandse introducees van de Marokkaanse Nederlanders op school. Ik kan me overigens niet herinneren dat hij zich daar ooit mee bemoeid heeft, hoewel ik zeker weet dat het daarbij ook weleens ging om zijn introducees. Wat dat betreft leek ‘ie zich aardig op de vlakte te kunnen houden.

In het examenjaar (hij mocht de jeugdgevangenis uit om z’n examenjaar inclusief examen te kunnen doen) heeft ‘ie me nog driehonderd gulden betaald om hem van de antwoorden van het examen Engels te voorzien. Ik haalde bijna altijd negens en tienen voor Engels, dus op zich geen slechte keus al zeg ik het zelf. Hij had een buzzer (leg dat nog maar eens uit) mee, en ik liep met een extra vel met daarop mijn antwoorden geschreven naar de telefooncel achter de school.

Hij heeft me daarvoor netjes betaald, honderdvijftig voor en honderdvijftig na. De laatste afspraak, in de zomervakantie van 1998, was ook de laatste keer dat ik hem gezien heb.

En verder, buiten de vraag of hij actief was in de ontluikende straatoorlog, dus ook nooit meer aan gedacht tot een paar jaar terug…

Toen (2014) las ik in de krant dat in Marbella een Marokkaanse Amsterdammer was doodgeschoten, genaamd Samir Bouyakrichan. Ik moest meteen aan hem denken. Ik had natuurlijk zo’n vermoeden, maar er zijn natuurlijk wel meer Marokkanen die Samir heten (al was de bijnaam Scarface wel veelzeggend) en z’n achternaam wist ik echt niet meer. Foto’s kon ik niet vinden, en zo verdween het verhaal voor mij mettertijd weer naar de achtergrond.

Maar toen ik dit weekend per toeval weer bij die aanslag uitkwam via Google, bleek er nu (al ruim een half jaar) wel een foto te zijn. En verdomd… Dat was dus inderdaad Samir.

Wat je verder ook van Samir vindt, stilgezeten had ie in de tussentijd niet. Een van de grootste, zo mogelijk de allergrootste coke importeur in Europa. Volgens sommige bronnen goed voor 1 miljard omzet.

Maar inmiddels dus dood en begraven. Doodgeschoten in een trapportaal waar hij heen vluchtte op het moment dat hij al beschoten (en geraakt) was*.

Geen idee waarom het me niet los laat. Ik heb de hele week aan Samir gedacht, en met een raar gevoel rondgelopen. Een gevoel dat ik ergens ook wel ken uit tijden waarin ik ongelukkig was, maar te jong om me er bij neer te leggen of te begrijpen wat ik voelde. Een mengeling van vormloze emoties zonder bekende oorsprong die ik bestreed door randjes op te zoeken. Was dat immers niet leven?

Misschien geeft Samir’s verhaal te denken over hoeveel er soms allemaal kan gebeuren in korte tijd, maar hoe betrekkelijk dat uiteindelijk zelfs is? Ik weet het niet. Ik zou er graag meer van weten, maar echt veel publieke info kan ik niet vinden. Samir had wat dat betreft begrepen wat low profile is. Ik vind het ook niet iets waar ik in moet gaan wroeten.

Hoe dan ook… Rust in vrede Samir. Het was kort maar krachtig. En ik ben je niet vergeten.

* Dit is de versie die mij bereikte. Het zou zomaar kunnen dat de precieze loop van zaken anders was.